| Fragment van "Missie Silverfin" |
| Geschreven door Christian ter Braack | |
| donderdag 30 maart 2006 | |
Als voorproefje op onze review over Charlie Higsons "Missie Silverfin" kun je je hieronder vast inlezen. Het betreft het eerste hoofdstuk van het boek! Ben je nu al enthousiast en wil je het boek kopen? Doe dit dan via deze link bij bol.com, hierdoor draag je bij in het online houden van de site en het mogelijk maken van prijsvragen! Voorzichtig sloop de jongen naar het hek. Daar zag hij het bekende bord:VERBODEN TOEGANG PRIVÉTERREIN OP INDRINGERS WORDT GESCHOTEN Om de boodschap nog eens te benadrukken hingen er naast het bord verschillende dode dieren. Net als misdadigers van vroeger waren ze opgehangen, een strop om hun gebroken nek. Hij had ze zo vaak gezien dat het iets vertrouwds had. Konijnen met uitgepikte ogen, verfomfaaide zwarte kraaien met gebroken vleugels, een stuk of wat vossen, een paar ratten, zelfs een wilde kat en een boommarter. Vanaf de eerste dag dat de jongen hier kwam, had hij ze langzaam zien wegrotten. Van sommige karkassen was weinig meer over dan stukjes viezig leer en vergeelde botten. Maar sinds de vorige dag waren er lijkjes bij gekomen, van een eekhoorn en van nog een vos. Dat betekende dat hier iemand was geweest. Het dikke bruine stropersjasje en de zware groene broek van de jongen zorgden wel voor camouflage, maar hij wist dat hij toch op zijn hoede moest zijn. De borden en het vijf meter hoge hek met het roestige prikkeldraad zouden de meeste mensen wel buiten houden, en de mannen waren er ook nog. Af en toe had hij hen met hun geweren langs het hek zien patrouilleren. Hoewel hij al een paar dagen niemand had gezien, wist hij dat ze nooit ver weg waren. Maar nu was hij alleen, afgezien van de kadavers. Het was laat in de middag en doordat het begon te schemeren, kon hij minder goed zien. Aan deze kant van het hek, tussen de brem, de jeneverbesstruiken en de lijsterbes, zat hij goed verscholen, maar straks... Straks zou hij onder het hek door kruipen, en aan de andere kant was geen beschutting van bomen of struiken. Hij kon in de verte nog net een stuk grasland zien met hier en daar verspreide rotsblokken, dat afliep naar het bruinige water van het loch. Straks zou hij daar voor het eerst gaan vissen. Hij had er bijna een uur over gedaan om hier te komen. De school was om vier uur uitgegaan en sinds de middagpauze had hij niets meer gegeten. Wanneer hij eenmaal onder het hek door was gekropen, zou hij geen tijd meer hebben om te eten. Daarom liet hij zijn rugzak van zijn schouders glijden en haalde daar een appel en een boterham met ham uit. Terwijl hij gehaast alles opat, keek hij naar de berg die de wacht over het loch hield. De berg zag er kil, kaal en meedogenloos uit. Hij stond hier al miljoenen jaren en zou er nog wel miljoenen jaren blijven staan. De jongen voelde zich nietig en alleen, en toen het hek knarste en piepte in de wind, huiverde hij. Voordat de nieuwe laird was gekomen, stond er geen hek en had iedereen hier vrije toegang gehad. Toen was het een goede plek om te vissen. De vorige landheer stoorde zich totaal niet aan de paar doorzetters uit het dorp die er een lange wandeling voor overhadden om hier een hengeltje uit te gooien. Wat maakten hem die paar forellen per jaar uit? Er waren er genoeg. Vijf jaar geleden was daar verandering in gekomen, toen de nieuwe landheer alles had overgenomen. Er was een hek neergezet en de plaatselijke bevolking werd de toegang ontzegd. Maar deze avond niet. De jongen gooide de broodkorsten en het klokhuis in de struiken, kroop naar het hek toe en verwijderde de pollen gras die het door hem gegraven hol bedekten. De plaggen lagen op een raster van stevige takken dat hij snel weghaalde. De grond was hier keihard en zat vol stenen. Daardoor had het de jongen een paar dagen gekost om met het tuingereedschap van zijn moeder een tunnel onder het hek door te bikken. Toen die de vorige avond eindelijk klaar was, was het te laat om onder het hek door te kruipen. Tegen zijn zin was hij naar huis gegaan. Op school had hij zich maar moeilijk kunnen concentreren. Steeds dwaalden zijn gedachten af naar deze middag, wanneer hij hiernaartoe zou gaan, onder het hek door zou kruipen en naar het meer zou lopen om onder de neus van de nieuwe landheer stiekem vissen te vangen. Met een grijns kroop hij in het gat en duwde het stuk jute weg waarmee hij de uitgang had afgedekt. Zijn visgerei en rugzak kon hij gemakkelijk door de tunnel trekken, maar hoewel hij de hengel van zijn vader uit elkaar had gehaald, waren de drie stukken te lang voor de bocht. Daarom kroop hij terug om ze een voor een door het hek te steken. Vijf minuten later rende hij tussen de rotsblokken door naar het meer, in zijn ene hand de hengel, in de andere de tas met visgerei. Voordat zijn vader was overleden, had hij de jongen vaak over Loch Silverfin verteld. In zijn jeugd was zijn vader hier vaak komen vissen. Daar was hij dol op, maar in de oorlog van 1914 was hij gewond geraakt door granaatscherven. Daardoor kon hij nauwelijks meer lopen, laat staan een hengel vasthouden. Nu was de jongen de man in huis, en hij verheugde zich al op het gezicht van zijn moeder wanneer hij met een mooie, pasgevangen forel thuiskwam. Maar dat was niet alles; als vissen een uitdaging was, dan was híér vissen een nog grotere uitdaging. Loch Silverfin had de vorm van een enorme vis, lang en smal en uitwaaierend in een staart. Het meer dankte zijn naam aan een reusachtige vis uit de Schotse folklore, It’Airgid. Dat was de Keltische naam voor Silverfin. It’Airgid was een angstaanjagende zalm, groter en sterker dan alle andere Schotse zalmen. De reus Cachruadh had geprobeerd hem te vangen. Na een heftig gevecht dat wel twintig dagen duurde, had de vis de reus opgeslokt en pas een jaar later had hij hem in Ierland weer uitgespuugd. Volgens de legende huisde de vis nog steeds in het loch, diep in het donkere water. Dat geloofde de jongen niet echt, maar hij geloofde wel dat hier enorme vissen zaten. Het meer zag er woester uit dan hij zich had voorgesteld. Onder aan de berg liep de oever steil naar beneden; daar lagen rotsblokken en groeide slechts een beetje sprietig riet. Aan de overkant zag hij de vierkante vorm van het kasteel, dat gedeeltelijk gehuld was in de nevel die van het water opsteeg. Het kasteel stond op het eiland dat het oog van de vis moest voorstellen. Niemand zou hem van daaruit in de schemering kunnen zien.Hij speurde het kiezelstrandje af naar een goede plek om zijn hengel uit te werpen, maar het zag er niet erg veelbelovend uit. De oever was volkomen onbeschut. Als de mannen hier in de buurt kwamen, zouden ze hem meteen zien. Bij de gedachte aan die mannen keek de jongen onrustig om zich heen. Eigenlijk was hij wel een beetje bang. De mannen kwamen niet uit de streek en gingen niet met de mensen uit het dorp om. Ze woonden hier in een paar lelijke betonnen schuren die de landheer bij het poorthuis had laten bouwen. Zijn kasteel had hij in een vesting veranderd en deze mannen waren zijn privéleger. De jongen voelde er niets voor om hen tegen het lijf te lopen. Net toen hij dacht dat hij het misschien beter kon opgeven, ontdekte hij de ideale plek. Bij de punt van de vissenstaart mondde een beek in het meer uit die bijna volledig aan het zicht werd onttrokken door steil oprijzende rotsen. Hij wist dat de vis hier wachtte op het voedsel dat met de beek werd meegevoerd. Een paar meter verderop stond een enorm granieten rotsblok in het water. Als hij dat kon bereiken en hij zich erachter zou verschuilen, kon hij zijn hengel in de richting van de beek uitwerpen zonder dat de mannen of de vissen hem zouden kunnen zien. De jongen ging in het gras zitten om zijn waadbroek aan te trekken. Die was zwaar geweest om mee te sjouwen, maar kwam nu goed van pas. Het was een broek die je over je kleren moest aantrekken, met laarzen eraan vast. Het ding kwam helemaal tot zijn borst en er zaten schouderriemen aan. De broek rook naar vochtig, oud rubber. De jongen bevestigde het molentje aan de hengel en leidde de lijn door de ringetjes. Hij zocht de beste kunstvlieg uit, een zilverkleurige, en maakte die vast. Daarna liep hij langs het water totdat hij op gelijke hoogte was met het rotsblok en waadde ernaartoe. Het duurde een paar minuten voor hij de rots had bereikt, omdat hij voorzichtig moest lopen. De bodem van het meer was glibberig en ongelijk, en hij moest ook nog omlopen omdat het ineens te diep werd. Toen hij uiteindelijk het rotsblok bereikte, werd het water minder diep en kreeg hij meer zelfvertrouwen. Hij vond een goed plekje vanwaar hij zijn hengel kon uitgooien. Nadat hij de vlieg had gecontroleerd, liet hij de lijn vieren en met een snelle polsbeweging wierp hij uit. De lijn vloog over het water en kwam bij de oever neer. Dat was een goed begin, maar daar hield zijn geluk op. Hij kreeg maar geen vis aan de haak. Hoe de jongen ook zijn best deed, de vis wilde niet bijten. Hij wierp telkens opnieuw uit, hij veranderde van vlieg, hij liet de lijn verder en minder ver vieren, maar allemaal zonder resultaat. Het werd steeds donkerder en over niet al te lange tijd moest de jongen naar huis. Daarom probeerde hij in zijn wanhoop een worm. Hij haalde het doosje wormen dat hij voor de zekerheid had meegenomen uit zijn zak, zocht een vette zeepier uit en spietste die aan het haakje. Daar bleef de worm verleidelijk aan kronkelen. Welke vis zou zoiets kunnen weerstaan? Met een worm aan de haak moest hij voorzichtiger uitgooien, dus wierp hij hem onderhands. Er werd zo snel toegehapt dat het hem verraste: de worm had het water nog niet geraakt of hij voelde al iets trekken. Hij haalde een beetje op om het haakje goed vast in de vissenbek te krijgen en bereidde zich voor op het gevecht.Wat er ook aan de haak zat, het was een taaie. Woest trok het beest alle kanten op, en de hengel boog sterk naar het water. Hij gaf de vis een beetje speling en haalde langzaam in. Nog steeds zwom de vis zigzaggend door het water in een wanhopige poging los te komen. De jongen grijnsde breed; dit was een joekel, die gaf het niet gauw op. Misschien had hij Silverfin zelf wel gevangen! Een tijdlang speelde hij met de vis. Hij draaide zo ver hij durfde aan het molentje en hoopte dat de haak niet zou losschieten en de lijn niet zou breken... Zoiets moest je voorzichtig aanpakken. Je moest de vis een beetje aanvoelen, je moest zijn bewegingen proberen te voorspellen. Uiteindelijk had hij hem bijna opgehaald, hij zag al iets aan de lijn bewegen. Hij haalde diep adem en haalde op. Wat een teleurstelling... Het was Silverfin niet, het was een aal. Op het moment dat dit tot hem doordrong, voelde hij iets langs zijn benen strijken. Hierdoor verloor hij bijna zijn evenwicht. Hij keek naar beneden en zag nog een aal door het water flitsen. Omdat hij zijn haak en lijn terug moest hebben, kon hij niet anders dan de aal ophalen. Hij trok de vis uit het water en probeerde die te pakken, maar het beest spartelde en kronkelde en draaide zich om de lijn. Toen hij de aal probeerde te grijpen, draaide die zich ook om zijn arm. Het was een monsterlijk dier van ruim een halve meter lang, slijmerig, koud en bruingrijs. De jongen had een hekel aan aal. Hij probeerde het beest van zijn arm te krijgen, maar de aal was enorm sterk, net een grote, bewegende spier. De aal kronkelde zich gewoon om zijn andere arm. Vloekend probeerde de jongen het beest los te schudden en hij viel bijna om. Rustig blijven, dacht hij bij zichzelf. Voorzichtig liep hij naar het rotsblok toe, waar hij de aal tegen de steen smakte. Stevig hield hij hem daartegenaan gedrukt. Nog steeds spartelde en kronkelde het beest als een waanzinnige met die uitdrukkingloze kop. Door de ver uit elkaar staande, donkere oogjes leek die net een koud, doods masker. Uiteindelijk kon de jongen de kop lang genoeg vasthouden om greep te krijgen op de haak en te proberen die uit de bek te peuteren. Een lastig werkje. Het was een grote haak met weerhaken die niet makkelijk uit een vissenbek kon schieten. ‘Toe nou,’ mopperde hij. Ineens – hij wist zelf niet goed hoe, zo snel ging het – schoot de haak los, maakte de spartelende aal een heftige beweging en vloog de haak in zijn duim. Het deed zo’n pijn dat zijn hele arm er zeer van deed. Hij slaakte een gesmoorde kreet en klemde toen gauw zijn tanden op elkaar omdat hij niet mocht gaan schreeuwen; het was een doodstille avond en elk geluid werd weerkaatst door de rotswanden en het water. De aal kronkelde weg en schoot het water in. De jongen voelde zich misselijk en duizelig, alsof hij op het punt stond flauw te vallen. Het duurde even voordat hij naar zijn hand durfde te kijken. De haak was er bij zijn handpalm in geschoten en was toen door het zachte stuk onder zijn duim gedrongen, om er aan de andere kant weer uit te komen. Er zat een behoorlijke jaap in zijn hand en er droop al bloed in het water. Hij had nog geluk dat de punt eruit stak en niet diep in zijn hand zat, maar toch kon hij de haak er niet zomaar uit trekken. Aan de ene kant zaten de weerhaken en aan de andere kant zat de ring waar de lijn aan was bevestigd. Er zat maar één ding op. Hij zette zijn hengel tegen het rotsblok en zocht met zijn andere hand in zijn tas naar een tangetje. Hij haalde diep adem, zette het tangetje op de plek waar de haak aan de lijn vastzat en knipte de ring af. Snel, zodat hij er niet bij na kon denken, trok hij de haak bij de weerhaken uit zijn hand. Het deed zo’n pijn dat hij even tegen het rotsblok moest leunen omdat hij bijna door zijn knieën zakte. Het vissen kon hij verder wel vergeten. De jongen begon te huilen. Al die moeite voor een rottige aal en een kapotte hand. Het was niet eerlijk. Toen vermande hij zich. Hij kon beter iets dóén. Het bloed stroomde uit de wond. Hij spoelde zijn hand in het meer af. In het koude water werd het bloed olieachtig en donker. Daarna pakte hij een zakdoek uit zijn broekzak en bond die stevig om zijn duim. Hij trilde en voelde zich erg duizelig. Zo voorzichtig mogelijk pakte hij zijn spullen bij elkaar en waadde terug naar de oever, door het water dat donker was gekleurd door zijn bloed. En toen voelde hij het. Er botste iets tegen zijn benen. En toen nog iets. Nog meer alen. Wat hadden die ineens? Alen vielen geen mensen aan. Ze aten afval, kikkers en kleine vissoorten... Hij waadde verder, hij had het zich vast verbeeld.Nee, daar was het weer: er botste iets tegen hem aan. Hij tuurde in het water en bij het schemerige licht zag hij ze: honderden alen, een krioelende massa in het water, door elkaar kronkelend als het haar van een onderwater-Medusa. Aal. Overal om hem heen. In alle soorten en maten, van kleine friemeltjes tot enorme beesten van tweemaal de lengte van het exemplaar dat hij had gevangen. Het water leek te leven, te bewegen, te kolken. Ze krioelden tegen zijn benen en hij struikelde. Zijn gewonde hand kwam in het water en hij voelde hongerige bekken de zakdoek eraf trekken en de modderige diepte in sleuren. In paniek probeerde hij de oever te bereiken, maar hij gleed uit. Terwijl zijn voeten naar houvast zochten, viel hij in het diepe gedeelte van het meer. Even ging hij kopje-onder en voelde hij de alen langs zijn gezicht strijken. Eentje kronkelde zich om zijn nek. Met zijn goede hand trok hij die van zich af. Toen raakten zijn voeten de bodem en kon hij zich afzetten, naar boven. Hij hapte naar adem. Zijn waadbroek zat nu vol water... Water en alen. Hij voelde ze langs zijn benen strijken, gevangen in het rubber. Als hij zijn voeten omhoog zou kunnen krijgen, kon hij blijven drijven. Maar hij was bang en in paniek, en zijn lichaam deed niet wat hij wilde. ‘Help!’ gilde hij. ‘Help!’ Toen ging hij weer kopje-onder, en deze keer leken er nog meer alen te zijn. Er kwam een kop in zijn mond en scherpe tanden boorden zich in zijn onderlip. Hij rukte de aal weg, de woede gaf hem nieuwe kracht. Met moeite bracht hij zijn voeten naar beneden. Hij kwam op de bodem neer en zette zich opnieuw af. Eenmaal boven leek het water te koken van de krioelende alen. ‘Help, help... Help me toch...’ Zijn mond deed pijn en er stroomde bloed uit zijn lip. Hij sloeg op het water, maar de beesten lieten zich niet verjagen. Vanuit zijn ooghoek zag hij iemand... Een man die langs de oever aan de overkant rende. De jongen zwaaide wild met zijn armen en riep nogmaals om hulp. Het kon hem niet meer schelen als hij zou worden betrapt. Alles was beter dan hier ingesloten te worden door die afschuwelijke vissen. De man kwam dichterbij en dook het meer in. Nee, wilde de jongen schreeuwen, niet het water in, daar zitten die alen. Maar toen zag hij het hoofd van de man boven water komen. Alles kwam goed, hij zou worden gered. Met krachtige, hoekige slagen zwom de man op hem af. Gelukkig. Hij was veilig. Even vergat hij de alen en concentreerde hij zich op de man die steeds dichterbij kwam. Maar toen kwam er weer zo’n golf waardoor hij zijn evenwicht verloor. Hij werd omhelsd door honderden glibberige, kille tentakels.Nee. Nee, hij liet zich niet kleinkrijgen. Hij sloeg met zijn armen om zich heen, schopte met zijn voeten en kwam weer boven, hijgend en naar adem snakkend. Waar was die man gebleven? Hij zag hem niet meer. Wanhopig keek de jongen om zich heen. Hadden de alen hem te pakken gekregen? Het was stil. Het water bewoog niet meer, net alsof er niets was gebeurd... En toen zag hij hem, onder water, als een grote, donkere vorm tussen de vissen die plotseling met een plons uit het water oprees. De jongen schreeuwde het uit. Het laatste wat hij zag voordat hij terugzonk in de donkere diepte was het gezicht van de man, alleen was het nauwelijks een gezicht te noemen... Het was de kop van een aal, een gezicht als uit een nachtmerrie: zonder kin, met een haarloze, gladde grijze huid die helemaal strak stond, en dikke, rubberachtige lippen, tot waar de oren hoorden te zitten. Het gezicht was vervormd, zodat de neus afschuwelijk plat was met brede neusvleugels, en de uitpuilende ogen stonden zo ver uit elkaar dat ze niets menselijks meer hadden. De walgelijke lippen gingen vaneen en er klonk een soort natte boer. Toen sloot het wateroppervlak zich boven de jongen en verloor hij het bewustzijn. Op deze tekst berust een copyright c Ian Fleming Publications Ltd 2005 |
|
| Laatst geupdate op ( woensdag 31 mei 2006 ) |
| < Vorige | Volgende > |
|---|
| |
Als voorproefje op onze review over Charlie Higsons "Missie Silverfin" kun je je hieronder vast inlezen. Het betreft het eerste hoofdstuk van het boek! Ben je nu al enthousiast en wil je het boek kopen? Doe dit dan via deze link bij bol.com, hierdoor draag je bij in het online houden van de site en het mogelijk maken van prijsvragen!
Voorzichtig sloop de jongen naar het hek. Daar zag hij het bekende bord:
Aan de overkant zag hij de vierkante vorm van het kasteel, dat gedeeltelijk gehuld was in de nevel die van het water opsteeg. Het kasteel stond op het eiland dat het oog van de vis moest voorstellen. Niemand zou hem van daaruit in de schemering kunnen zien.
Met een worm aan de haak moest hij voorzichtiger uitgooien, dus wierp hij hem onderhands. Er werd zo snel toegehapt dat het hem verraste: de worm had het water nog niet geraakt of hij voelde al iets trekken. Hij haalde een beetje op om het haakje goed vast in de vissenbek te krijgen en bereidde zich voor op het gevecht.
Nee, wilde de jongen schreeuwen, niet het water in, daar zitten die alen. Maar toen zag hij het hoofd van de man boven water komen. Alles kwam goed, hij zou worden gered. Met krachtige, hoekige slagen zwom de man op hem af. Gelukkig. Hij was veilig. Even vergat hij de alen en concentreerde hij zich op de man die steeds dichterbij kwam. Maar toen kwam er weer zo’n golf waardoor hij zijn evenwicht verloor. Hij werd omhelsd door honderden glibberige, kille tentakels.